Om over na te denken. In de gereformeerde leer over de kinderdoop spelen de huisteksten een belangrijke rol. Je weet wel, iemand werd gedoopt ‘met zijn hele huis’. Nu las in vanmorgen in het Nederlands Dagblad dit artikel.

Proselietendoop, door Mieke Brink
In de tijd van Jezus waren er twee beroemde rabbi’s, Hillel en Sjammai. Die waren een keer in discussie over de proselietendoop. Een proseliet is iemand die zich tot het jodendom wil bekeren. Hij moet zich dus laten besnijden, en daarna wordt hij gedoopt, als teken dat zijn heidense onreinheid wordt afgewassen. De discussie ging nu over de vraag: hoe snel moet dat dopen na de besnijdenis? De strengere Sjammai zei: zo snel mogelijk. Maar de mildere Hillel vond dat er een week tussen moest zitten, zodat de wond van de besnijdenis eerst kon genezen. Anders was de doop veel te pijnlijk.

Dopen was in de tijd van Jezus dus een bekend verschijnsel. Als we de gewoonten rond de proselietendoop bestuderen, helpt ons dat vast een stapje verder bij de vraag: hoe zouden de eerste christenen de doop toegepast hebben?

Een belangrijke vraag voor de rabbi’s was: hoeveel onderwijs moet een proseliet gehad hebben, voordat hij besneden mag worden? Moet hij zich tot in de puntjes aan alle geboden kunnen houden? Nee, zeiden de rabbi’s, wijs hem allereerst op de ernst van zijn stap. Jood worden betekent met Gods volk mee-lijden. Leer hem daarna een basisdeel van de geboden. Je moet hem ook vertellen dat zijn straf bij overtreding zwaarder wordt zodra hij jood is. Als een heiden de sabbat ontwijdt is dat erg, maar als een jood dat doet is het dubbel erg!

Na deze basiscursus kan de besnijdenis volgen, en vervolgens de doop. Dat dopen moet door onderdompeling in stromend water gebeuren, of anders in een royaal waterbad (er werd precies vastgelegd hoeveel water minstens). De dopeling gaat het water in, samen met twee broeders, en terwijl hij daar staat, houdt de rabbi hem de geboden van de basiscursus nog eens voor. Dan volgt de volledige onderdompeling. Zodra je boven water komt ben je een volle lsraëliet. Bij de doop van een vrouw waren extra maatregelen nodig om de kuisheid te waarborgen - er gingen vrouwen mee het water in, en de rabbi bleef ‘buiten staan’.

De kinderen van proselieten werden meteen ook besneden en gedoopt. Maar de rabbi’s beseften wel dat grotere kinderen zo’n overstap niet altijd van harte maken. Daarom gold: als ze, eenmaal volwassen, die stap ongedaan willen maken, dan mag je hen niet even zwaar onder tucht zetten als een joods opgegroeid kind.

De volgende vraag was: geldt dat ook voor kinderen die ná de overstap geboren zijn? Nee, is het antwoord. Die zijn opgegroeid als echte lsraëlieten. En nog een vraag: waar ligt de grens? Stel dat een vrouw al zwanger was vóór haar doop? Antwoord: dan is het kind bij de geboorte volledig lsraëliet, zo’n kind hoeft ook niet gedoopt te worden.

En nu een doordenkertje. Stel nu eens, dat de eerste christenen de opdracht hadden om alléén volwassenen te dopen, dus anders dan de joden deden. Zou je dan niet verwachten dat het Nieuwe Testament daar expliciete voorschriften over had gegeven? Of dat je op zijn minst sporen van een discussie terugvindt in die eerste eeuw?

‘Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.’
Handelingen 16:31

Tot zover het artikel. Het doordenkertje gaat er naar mijn mening van uit, dat de ‘gewoonte’ om kinderen te dopen, de normale gang van zaken was. 

Dat bracht mij op de volgende doordenker. Waren de zogenaamde huisteksten dan alleen van toepassing op pas bekeerden, die zich moesten laten dopen na hun bekering, inclusief hun gezin? En wanneer iedereen eenmaal gedoopt was, dat er vervolgens geen aanleiding meer was om de kinderen van de kinderen te laten dopen? Ook kinderen van zwangere vrouwen werden bijvoorbeeld niet meer gedoopt. Anders gezegd: de zogenaamde huisteksten, die als ”bewijs” voor de kinderdoop worden aangevoerd, bewijzen die niet het tegendeel?